46 - Lot (regio: Occitanië)

 

Soms hebben naamgevers geen inspiratie meer en dan kan het gebeuren dat je in een dorp terecht komt dat Les Quatre-Routes-du-Lot heet. Dat dus! Gelukkig heeft departement Lot nog veel meer wegen dan die twee die elkaar kruisen. We laten die paar straten in het noorden van de Lot voor wat ze zijn en koersen oostwaarts op de D720, D803 en de D673 naar St. Céré. Hier streken de eerste eega en ik plus hond in 1992 neer op de gezellige lokale camping. Overigens is dit de enige camping die ik ooit bevolkt heb in de Lot, maar ik ben in dit boeiende departement, dat vooral bestaat uit causses (kalkstenen plateaus), al wel veel vaker geweest. Het ligt op ruim 1000 km van mijn woonplaats op een kruispunt van nog veel meer interessante departementen, zoals Corrèze (19), Cantal (15), Aveyron (12), Dordogne (24) en Tarn-et-Garonne (82). Nummer 46 is vernoemd naar de rivier Lot die in het zuiden de plateaus doorklieft. Andere belangrijke rivieren zijn de Dordogne en de Cère in het noorden.

St. Céré is een aardig stadje met een middeleeuws centrum, waar regelmatig een markt wordt gehouden. Het bezit de restanten van een kasteel (St. Laurent-les-Tours) dat hoog boven de plaats zetelt. Het naastgelegen dorpje Bretenoux heeft een iets schattiger oud centrum, waar ook wekelijks een markt te vinden is. Een ander buurdorp, St. Jean-Lespinasse, herbergt een prachtig Renaissance kasteel (Montal).

Even verderop in Prudhomat domineert het kasteel van Castelnau de Dordogne- en Cère-vallei. Dit heb ik in 2019 uitgebreid bezocht samen met mijn huidige lief Rob. Waanzinnig mooi opgeknapt is die middeleeuwse vesting uit de 11-12e-eeuw, inclusief een prachtig interieur. Uren kijk- en beleefplezier hier. Castelnau betekent Châteuneuf in het Occitaans. Het is maar dat je het weet!

Vanuit St. Céré rijden we naar het zuiden en fotograferen we het kasteel van Lacapelle-Marival in een typisch Frans dorpje met een fraai Frans landschap als decor. Daarna slaan we af naar de D840 op weg naar Figeac in het oosten van de Lot. In de middeleeuwen was het een rijke koopmansstad en dat is aan de gebouwen nog te zien, al vind ik die nogal krap op elkaar staan. Eigenlijk vind ik Figeac een beetje tegenvallen, maar ik heb vast niet alles gezien. Wat ik wel aardig vind is de afbeelding van de steen van Rosetta, die je vindt op een ieniemienie binnenpleintje (Place des Écritures)  in het centrum van de stad. Dit is gemaakt van zwart graniet en ter herinnering aan monsieur Champolion, die de steen heeft ontcijferd en daarmee de Egyptische hiërogliefen. Chapeau!

We zakken af naar het zuiden en zwieren langs de Lot en de departementsgrens. We komen hier en daar wat kastelen, ruïnes en uitzichtpunten tegen in dit rustigere deel van de Lot. We rijden over een aardige brug over de Lot bij Cajarc en arriveren even later in Cenevières, waar we een bezoekje wagen aan het kasteel. Ik wil ook nog een hunebed zien en dat kan hier in het zuiden in Limogne-en-Quercy. De dolmen (hunebed) stelt niet zoveel voor, maar de omgeving is zeer relaxt. Weinig mensen zijn hier, vogels en insecten des te meer. Het is superwarm en de huizen zijn verlaten. Ik bedoel met huizen eigenlijk de stenen hutjes die we hier aantreffen. Ze zijn bijna verweven met de met mos bedekte stenen muurtjes. Er staat ook nog een kek molentje.

Terug bij de rivier de Lot en inmiddels in St. Cirq-Lapopie is het hoogste tijd voor een uitgebreide lunch. In de lome warmte bekijken we daarna het monumentale stadje, dat één van de grootste toeristische trekpleisters van de Lot is. En terecht! Lapopie is een plaatselijke rots en hier stond in de 7e-eeuw een Gallo-Romeinse villa, waarnaar de plaats dus is vernoemd.

In Cabrerets fotograferen we een kasteel. Was het nou Gontaut-Biron of Château de Diable? Ik weet het niet meer. Afkoelen doe je bijna ter plekke in de grotten van Pech-Merle, waar je druipstenen en bijzondere prehistorische tekeningen en gravures kan zien. Daarna weer opwarmen bij een proeverij van Cahorswijnen in het plaatsje Conduché-Bouziès. In vond in 1992 die wijnen van een bijzonder zwaar kaliber. Tegenwoordig kan ik dat wat beter waarderen, maar er bestaan ook wel lichtere, ondanks de donkerrode, bijna zwarte kleur van het sap van de Malbec-druiven.

Verder naar het westen ligt hoofdstad Cahors (en naamgever van de regionale wijn) voor driekwart ingepakt door een meanderende Lot. De middeleeuwse Pont Valentré over de Lot is de, door schoonheid, bekendste brug hier. Cahors bestaat al sinds de Romeinen hier kwamen in de 1e-eeuw na C. Hierna kan je nog even slingeren met de rivier mee naar het westen. Daarna gaan we een flink eind richting het noorden door een mooi groen landschap. In historisch Gourdon gaat het er erg gemoedelijk aan toe, merken we op een terrasje in de schaduw. Het oudste gedeelte ligt hoog, dus dat is weer goed voor een fijn uitzicht. Hier vlakbij kun je nog de twee Grottes de Cougnac bezoeken. Ook weer met druipstenen en oeroude schilderingen. Deze grotten slaan we over, want er staat nog een veel gigantischer grot op het programma. Maar eerst komen we in het heuvelachtige landschap van de Causse de Quercy, bedevaartsplaats Rocamadour tegen en dat is ook een moetje! Kost alleen wel wat klim- en wandeltijd en het kan er erg druk zijn. Er zijn ook liften om naar boven of beneden te komen voor de minder valide medemens. Tegen een rots in de vallei van de Ouysse, plakken hier zeven kerken onder elkaar, met bovenop een kasteel en onderop ‘hangen’ de woningen van de gewone stervelingen. Bijna onbeschrijflijk schitterend! De laatste keer dat we er waren in september 2019, speelde één van de kerkklokken een liedje, dat me bekend voorkwam. “Zie ginds komt de stoomboot”! Haha, ja, echt waar! Er worden hier ook roofvogelshows gehouden, boven de kloof van de rivier. Indrukwekkend grote en prachtige vogels zijn dat toch!

Nog nauwelijks bekomen gaan we naar de volgende enorme toeristische trekpleister in het noorden van dit 46e departement. Hier moet je tegenwoordig je kaartje al van te voren bestellen per internet of een kaartje uit de opgestelde automaten trekken en daar staat dan een tijd op dat je naar binnen mag. Dank zij de vele terrasjes hier, is die wachttijd wel even uit te houden. Pfff, wat een verschil met 1992! ‘Hier’ is trouwens Gouffre de Padirac, voor mij de allermooiste grot ooit. Een enorm gat (ca. 40 m. doorsnee) in de aarde leidt je via trap of lift zo’n 100 m. diep en dan kan je eerst lopend en daarna varend de ondergrondse wereld onderzoeken. Het is alle moeite waard hoor, vooral de grootsheid en de manier van verlichten blijven je de rest van je leven bij!

Weg van de mensenmassa, genieten we de volgende dag op hele smalle weggetjes van de natuurlijke omgeving van Cirque d’ Autoire en dorpen Autoire en Loubressac. Nog iets verder noordelijk zitten we weer langs de Dordogne en rijden we Carennac binnen. Een schilderachtig dorp met aparte bouwsels, een kasteel en klooster. Ik hou van dit plaatsje en ik ben hier daarom al regelmatig geweest!

Vijf kilometer naar het westen vereren we Martel met een bezoekje. Prachtige panden en een mooie markthal vinden we hier. We kopen wat regionale lekkernijen, zoals eendenlever en confit d ‘oie et de canard. Très lekker!

We sluiten ons bezoek aan dit departement af in Souillac (ook weer gelegen aan de Dordogne) met een diner op één van de terrassen van de stad. Vlakbij de indrukwekkende abdijkerk en het belfort, dat een restant is van een andere kerk.

Lot, j’ adore!